Arthur in Angol... 的个人资料Arthur in Angola照片日志列表更多 工具 帮助
2月17日

De oorlog voorbij

“Ainda bem que a guerra acabou (toch goed dat de oorlog voorbij is),” verzuchte Mabanza terwijl we in het nationale voetbalstadion op een zwoele zomeravond met duizenden jonge mensen van een muziekfestival genoten. Vanwaar die gedachte? Welke gedachtekronkel brengt je van een muziekfestival naar het afgelopen zijn van de oorlog? Wat hebben die met elkaar te maken?

 

Ik herinner me dat tijdens het sollicitatiegesprek voor mijn huidige baan me gevraagd werd waarom ik naar Angola wilde. Ik antwoordde iets in de trant van dat ik benieuwd was naar wat er gebeurt in een land wanneer het zich van oorlog naar vrede beweegt. Ik wil die transitie zien, meemaken en er aan bijdragen. Nu, 2,5 jaar later en midden in die verandering,  denk ik mijn vriend zijn verzuchting te begrijpen. Álles heeft te maken met het feit dat de oorlog is afgelopen.

 

Een muziekfestival in Luanda was tot voor kort bijvoorbeeld niet mogelijk, want de regering was bang voor mensenmassa’s, behalve natuurlijk wanneer het georkestreerd was door haar eigen befaamde “Nationale Spontane Beweging”. Sterker nog, het was gevaarlijk om je als jongetje of jonge man op straat te bewegen omdat je ieder moment kon worden opgepakt, in een kazerne gestopt, en na een korte training als kanonnenvoer naar het front getransporteerd. Slecht een paar jaar later is alles anders. Regelmatig stroomt het stadion vol met jonge mensen om hun popidolen te bewonderen, te dansen, te flirten. Behalve dat het heerlijk is om zelf op een februariavond in een t-shirtje in het gras te dansen, geniet ik met volle teugen van het zien van duizenden jonge, vreugdevolle, onbezorgde Angolezen. Dat kan, omdat de oorlog is afgelopen.

 

Het nationale voetbalteam, voorheen door niemand serieus genomen, brengt opeens overwinningen en trots. Het Afrikaans kampioenschap basketbal wordt opeens in 6 Angolese steden gehouden, en de stoere Angolezen vernederen iedere tegenstanders en ontketenen een hysterisch vreugdefeest in de straten van Luanda. Nieuwe dans en muziekstijlen ontstaan. Bijvoorbeeld Kuduro, welke dans ergens het midden houdt tussen acrobatiek, bezeten en in trance. Klinkt dat als iets traditioneel Afrikaans? De snoeiharde beat, platina geblondeerde koppen, gangsterstijl en robotbewegingen vertellen een ander verhaal: dit is het Luanda van na de oorlog.

 

Wat Angolezen nu ook kunnen, zij het nog mondjesmaat, is zich organiseren en hun mening uiten. Tijdens de oorlog waren alleen sport- en carnavalsverenigingen toegestaan, en je mening uitten kon, mits het correspondeerde met die van de machthebbers. Nu woon ik om de maand het oorspronkelijk door CARE opgezette Kilamba Kiaxi Ontwikkelings Forum bij en geniet als mijn vrienden van de ODAs (gemeenschapsgroepen die CARE heeft helpen oprichten) de vertegenwoordigers van de lokale autoriteiten, politie, elektriciteits- en waterbedrijf bestoken met harde feiten over waar precies welke problemen bestaan en wat eraan gedaan moet worden. Beschaamd omdat ze telkens met dezelfde feiten worden geconfronteerd, beloven de hoge heren er iets aan te doen. Soms komen ze hun beloftes ook na, en hebben plotseling een paar honderd families water, stroom of een vuilnisophaaldienst in hun wijk.

 

Mabanza is op zijn 8ste met zijn moeder vanuit de noordelijke provincie Uige naar Luanda gevlucht nadat zijn vader, een lokale politicus voor de MPLA, plotseling verdween. Mabanza is een van de actiefste leden van de ODAs. Tien jaar geleden was dat levensgevaarlijk geweest, maar in 2008 hoeft zijn zoon en mijn petekind Emanuel niet te vrezen dat Mabanza hetzelfde lot zal ondergaan als diens vader.

 

Een andere grote verandering is dat het sluiten van het vredesverdrag in 2002 de wegen in het binnenland geopend heeft, die nu met Chinese miljarden worden gerepareerd. Zo kan je nu de stad ontvluchten en genieten van al het schoon dat Angola te bieden heeft. Afgelopen kerstvakantie overnachtte ik veilig en vrijelijk in een dorpje in de heuvels van Angola’s centrale hoogvlakte. De vriendelijk mensen vertelden dat hun geboortedorp zolang geteisterd is door gevechten en honger totdat iedereen dood of gevlucht was. Na jaren ellende in kampen of bij familie in de steden Huambo of Lubango zijn de dorpelingen weer teruggekeerd. Ze hadden niets meer, maar zijn druk bezig hun leven weer op te bouwen. Want de oorlog is voorbij, en dat verandert alles.

 

Natuurlijk, ook al is alles anders, het is verre van goed. En ook verre van hoe Angola zal kunnen, móeten zijn. De corruptie, de schandalige groeiende kloof tussen rijk en arm, veel te weinig kinderen gaan naar school, en veel te veel kinderen sterven voor hun vijfde levensjaar, etc, etc.

 

Maar toch, zoals de Lonely Planet over Angola schrijft: “there is nothing more breathtaking than being here, for the new peaceful chapter of Angola’s history. Dat wilde ik, en ik heb het gekregen.

2月6日

Mars en Venus

Een van de meest opvallende, en vaak grappige aspecten van de Angolese cultuur is de verhouding tussen mannen en vrouwen. De vrije seksuele moraal hier is verbluffend, zelfs voor een Nederlander geboren na de jaren zestig en opgegroeid tijdens de introductie van commerciële televisie. Voor jonge mensen is de vrijheid natuurlijk een zegen. Voor het eerst ben ik in een Afrikaans land waar geliefde op straat hun affectie voor elkaar kunnen tonen. Mensen vinden het zonde om hun schoonheid onder al te veel textiel te verbergen. En veel mensen zien geen reden om zich tot 1, 2 of 3 partners te beperken. Zo’n andere cultuur levert hele andere gesprekken op.

 

Afgelopen weekend bijvoorbeeld zat een normaal levendige buurjongen stilletjes in een hoekje.

“Papi, wat zit je daar te dromen?,” vraag ik de leukste en knapste jongen uit onze straat.

“Mijn vriendinnetje heeft het uitgemaakt”, was het antwoord.

“Oh, sorry dat te horen. Waarom?”

“Ze accepteerde niet dat ik nog drie anderen heb”, zei Papi.

“Gemeen rotwijf”, voegde zijn vriend Octavio toe.

“Maar ach, gelukkig heb ik al een vervangster geregeld.”

Wat Angola nog meer anders dan anders maakt, is dat zo’n gesprek net zo goed door meisjes als jongens gevoerd kan worden.

 

Gisteren groette ik een vrouw op straat. “Wie is dat?”, vroeg Jojanneke. “Dat is de Lucia, de vrouw van de vader van ons buurjongetje Carlos.”

 

En vanochtend wilde onze schoonmaakster (Mado) met me praten. Ze is via een vriend (Pedro) van een collega (Tony) bij ons komen te werken. Mado zat duidelijk met iets. Zenuwachtig schuifelde ze op de bank.

“Ga je me ontslaan?”

“Nee, hoezo?”

“Heeft Tony of Pedro al me je gesproken?”

“Nee, hoezo?”

Vervolgens legde ze me uit dat Pedro al een tijdje iets met haar wilde, maar zij was niet in hem geïnteresseerd. Bovendien is ie getrouwd met kinderen, al is dat niet echt een argument. Pedro was dermate teleurgesteld dat hij vond dat maar iemand anders in ons huis moest komen werken. Blijkbaar werkt het hier zo dat het onrecht dat Mado Pedro heeft aangedaan er automatisch toe leidt dat ik Mado zou ontslaan. Zojuist vroeg ik Tony wat hij ervan vond.

“In Angola werkt het inderdaad zo. Dat komt omdat Angolese mannen slecht zijn. Pedro wil met Mado, maar zij wil niet met hem. Pedro’s redenering is als volgt: Mado heeft nu een baan, dus heeft ze Pedro’s cadeautjes niet nodig. Maar als ze die baan kwijt heeft ligt alles anders, dan is ze van hem! Maar Pedro zou verder moeten kijken dan alleen zijn eigenbelang. Mado is verantwoordelijk voor een familie. Ze heeft haar eigen kind, en ze zorgt ook voor haar jongere broertjes en zusjes sinds de dood van haar ouders. Ze is een zelfstandige vrouw, die voor mensen weet te zorgen. Angolese mannen moeten dat leren respecteren.”